laatste woord

De zee heeft het laatste woord

Er liggen daar bloemetjes op het strand.
 Kleine rode en blauwe en gele,
 een paar een beetje paars.

Nog even onbereikbaar voor de rollende golven van de razende zee.

Maar het zal niet lang meer duren
 Dan drijven de bloemetjes op de zee

Wij vinden dat nu wel goed
 Jij was de beste vader
 Ga maar, ga met de golven mee

strand Vlieland
8 oktober 2017
11.26 uur

Gele bloem

Een eenzame gele bloem, eigenwijs groeiend tussen de harde basaltblokken van de aangelegde waddendijk waartegen het vloedrijke zeewater zolang het tij voortduurt onverschillig kabbelend klotst. In de verte blaft een meeuw. Daarna gebeurt er weer iets anders. Of niet. En steeds herhaalt de zee zichzelf. 

Zo gaat het al eeuwen, zo gaat het maar door.

 

Groningen is een stoere vrouw

Ik interviewde vandaag Bo Scheeringa, zij is fotograaf. Binnenkort (9 september 2017) verschijnt van haar een boek. Dat boek is een ode aan het Hogeland, aan Noord-Groningen, het landsdeel dat namens de rest van Nederland wordt leeggezogen door de NAM, met alle gevolgen van dien. Bo Scheeringa laat met haar prachtige landschapsfoto's - landschapsportretten - zien waar de Groninger voor knokt.

Niet waartegen.

Een man, bewoner van het Groninger land die Bo Scheeringa interviewde voor haar fotoboek - want dat deed ze ook - zei: 'Als je hier wilt wonen, dan moet je kunnen buigen, kunnen buigen voor het landschap.’’ Een ander sprak: 'De schoonheid van het Groninger landschap gaat soms door merg en been. En dat kan pijn doen.’

Zulke mooie woorden staan in het fotoboek van Bo Scheeringa dat Ruim Leven gaat heten. In het interview dat volgende week in Dagblad van het Noorden wordt gepubliceerd, legt ze uit waarom.

Op de krant had ik voorgesteld aandacht aan het aanstaande boek te schenken en ik had ook gezegd dat het een goed idee zou zijn dat ik het verhaal zou gaan maken. Bo Scheeringa maakt foto's van het landschap waar ik regelmatig doorheen fiets. Het Hogeland is ook mijn land. Daarom.

We troffen elkaar in Noordpolderzijl, eerst op de dijk waar collega Jan Zeeman haar in de stromende regen op de foto zette. De fotograaf zei tegen de fotograaf dat zij zich ongemakkelijk voelde, zo aan de verkeerde kant van de camera. Ze begrepen elkaar.

Daarna, in 't Zielhoes, vertelde Bo Scheeringa over haar ding. Ze vertelde bijvoorbeeld dat Ruim Leven een ondertitel heeft: 'Een portret van Noord-Groningen en haar bewoners.' Ze zei: 'Ik heb geen idee of Groningen vrouwelijk is. Maar voor mij is Groningen een haar, vrouwelijk.' Ik kon mij daar wel in vinden. We zeiden: Groningen is een stoere vrouw.

Groningen is een stoere vrouw. Ik dacht, die zit, dat wordt de kop boven mijn verhaal met Bo Scheeringa. Dat kan de NAM dan in d'r dove oren knopen. Toen we klaar waren met praten reed ik voldaan langs velden vol zonnebloemen met hier en daar klaprozen terug naar waar ik woon, via de Stationsweg in Warffum. Net toen ik daar aankwam, daalden de spoorbomen en verzochten de knipperende rode lichten mij even te wachten tot zij op hun beurt waren uitgepraat.

Ik vond dat helemaal niet erg. Sterker nog.

Rob Zijlstra

update – het verhaal over Bo Scheeringa en haar boek Ruim Leven zoals dat in Dagblad van het Noorden is gepubliceerd

 

 

 

 

 

 

Berenklauw

 

 

 

 

berendeze

Ik fietste vanuit Westernieland over de Schaapweg richting de zeedijk, met daarachter de kwelders, daarachter de immer op- en afgaande zee van het Wad, met overal wolken.

In de berm van de Schaapweg stond rechts deze reuzenberenklauw, een exoot hoorde ik op het NOS-journaal die met wortel en al moet worden uitgeroeid. De reuzenberenklauw verpulvert onze inheemsen. De autochtone berenklauw houdt huis en moet dood ten behoeve van de paardenbloem en de boterbloem en klavertjes vier.

Toen ik de foto maakte, fietste er een boer voorbij.
 De boer riep: 'Pas maar op. Je krijgt er brandwonden van.'
 Ik riep terug: 'Ja, dat weet ik ook wel.

rob zijlstra

 

 

Lege plek

schermafbeelding-2017-06-12-om-00-48-42

Ja, natuurlijk ken ik Kopland.
 Rutger.
 Rutger Kopland uit Glimmen.
 ’n Groot dichter.
 Is hij al dood dan?
 Volgens mij wel.
 [ik pak mijn telefoon, toets in Kopland, gelukkig, er is 4G in de duinen.]
 Ja hoor, Kopland is dood.
 Juli, 2012 te Glimmen.

Natuurlijk ken ik Kopland.
 Maar heus, niet echt.
 Wel van gehoord.
 Weet ik veel, al die dichters die ontroeren, zo mooi.

Maar nu is alles anders.
 Zondagochtend, in de duinen van Terschelling,
 Bij Lies wind tegen, linksaf, daar kwam ik hem tegen.

En nu, nu wil ik al zijn woorden weten

——————-
oerol, 11 juni 2017, terschelling – – peergroup / kopland

Denk

rodin
Auguste Rodin exposeert in het Groninger Museum en daar komen heel veel mensen naar kijken. De mensen komen kijken naar zijn werk, want Rodin zelf is al weer een tijdje dood (1917). Rodin was, Franse beeldhouwer, een nogal eigenzinnige kerel.

Hij maakte onder meer De Denker, dat is zijn meest bekende beeld. De Denker is een zittende, blote en heel sterke man,. Als je naar hem kijkt, naar hoe hij daar zo peinzend zit, dan zie hem echt denken. Maar ik denk zelf dat dat vooral komt omdat we weten dat dit kunstwerk De Denker heet. Had Rodin dit werk De Prutser genoemd, de looser, dan hadden we dat erin gezien. Of De Verliezer. De Verdrietige. De PvdA. De Teleurgestelde. De tot inkeer komende.
 Net zo makkelijk.

Voor Rodin had dat - denk ik - ook geen donder uitgemaakt. Ergens staat dat hij niet veel waarde hechtte aan de naamgeving van zijn werken.

Wat je ook leert als je naar het Groninger Museum gaat is dat Rodin heel erg bezig was met het lichaam van de mens. Dat moest perfect. Tegelijkertijd wilde hij laten zien hoe zijn werk tot stand kwam: het werkproces. Auguste knutselde wel eens een beeld in elkaar zonder armen. Dat vond hij best. Het gebeurde ook wel dat hij een arm van een oud beeld zaagde en die dan aan een nieuwe werk plakte. Wist hij ook veel dat hij later in het Groninger Museum te zien zou zijn.

Ik vond het een heel mooie tentoonstelling. Zo eentje die ook erg de moeite waard is als je het niet zo hebt met beelden.

Tussen het kijken naar de werken door ving ik een gesprekje op van twee dames van respectabele leeftijd. De een vond het prachtig. De andere ook, maar zij had wel een punt van kritiek. Dat het museum ook beelden tentoonstelde die nog niet af waren, vond ze ongehoord. Ze murmelde: ‘Zo slordig van ’t museum.’

Ik wilde zeggen, maar mevrouw, wat u ziet is de schoonheid van het werkproces. Maar net toen ik dat wilde zeggen, dacht ik.

rob zijlstra

Jazz

Jazz blijft

alto-1

 

Ik was eerder een nieuwsgierige jongen uit Delfzijl die vaak naar Groningen lifte, vaak met Joop, om bij Hemmes in de Steentilstraat en later soms ook bij Swingmaster aan de Kruidlaan muziek te luisteren en lp’s te kopen.

Jazz.

Op een zaterdagmiddag snuffelde ik door de bakken met platen bij ‘swingmaster’ Sem.
 Er was daar zo ontzettend veel en nu ik er aan denk ruik ik weer de geur van ik denk het karton waar al die mooie platen inzaten. Ik had maar weinig geld voor eentje. Toen kwam er een man binnen, een man met aan zijn zijde een duistere vrouw. Zij volgde hem, in die volgorde.

De man droeg een zwart pak en op zijn hoofd stond een hoed, de vrouw was, toen ze haar jas uittrok, bloterig en had lange benen. Zoiets had ik nog nooit eerder gezien. Zij was veel jonger dan hij.

De man ging ook snuffelen in de bakken met platen.
 En hij praatte.
 Dat vooral.

Eerst dacht ik dat hij sprak tegen haar, maar zij was nergens te zien. De man praatte luid. De man praatte veel. De man praatte tegen niemand, maar wel heel de ruimte vol. Hij zei dat vrouwen en jazz niet samengaan. Dat jazz voor mannen is. Daar had ik nog nooit over nagedacht.

De man zei dat vrouwen van melodieuze muziek houden. En dat is dus niet jazz. Vrouwen kunnen jazz niet aan, zei hij. Jazz is te gecompliceerd, te niet gestructureerd voor ze. Te confronterend.  Daarom, ratelde luidruchtige de man met de hoed, zie je zelden vrouwen in jazzplatenzaken.

Dat kon ik wel beamen, ik zag haar nog steeds nergens.

Die middag ging ik weg met een plaat van Gene Ammons. Niet lang daarna kwam ik erachter wie de man was. Het was Jules A. Deelder.

Jazz is. Jazz leeft. Gebeurt. Beweegt. Jazz neemt. Jazz geeft. Jazz weet. Jazz spreekt. Jazz doet. Jazz laat. Jazz komt. Jazz gaat. Uniek. Muziek. Van vlees en bloed. Jazz waagt. Jazz wint. Breekt baan…

Dat was toen, ik werkte nog niet eens bij de krant. De jazz is gebleven. Ik heb zelfs later cd’s van Deelder gekocht. Deelder draait en Deelder draait door.
 En ook een paar bundels.

Jazz moet. Jazz rookt. Jazz jaagt. Is eigen baas…

Donderavond stapte ik jazzcafé Alto binnen. Kleine Kromme Elleboog, Groningen. Op drums Jelle Douma. Bert van Erk, contrabas, lang leve Bert van Erk. Tenorsax: Will Jasper.

Jazz ademt. Zweet. Jazz fluistert. Schreeuwt. Ontmaskert. Snijdt. Jazz glijdt. Jazz sluipt. Jazz slijpt. Jazz spuit…

Hans Bosch was er, van Jumping the Blues, van Baritone Madness.
 Oud-collega Ans. En Paul zonder Andre. Er was bier. Ik luisterde. Ik vereende, verzoende, begeesterde… Ik groeide, bloeide en blaakte. Jazz blijkt…

Ik vernam dat jazzcafé Alto binnenkort de deuren moet sluiten. In maart 2017. Het café moet plaatsmaken. Het wordt gesloopt. Er komen appartementen vanwege het geld. De vaste bezoekers wisten dit al. Zij hebben zich er bij neergelegd, zo begreep ik.

Ik vind het jammer, maar kwam er te weinig voor recht van spreken. Ik vind het desondanks jammer dat de jazz uit de Kleine Kromme Elleboog moet wijken voor lelijke appartementen, voor stom geld. Ik wil dat ook niet snappen. Goed, ik snapte Deelder toen die zaterdagmiddag in Swingmaster ook niet, maar onderschrijf nu wel wat hij later schreef, vooral die laatste twee woorden.

Jazz vraagt. Jazz raakt. Verlost. Verbaast. Viert feest. Verklaart. Is bitter. Zoet. Is hot. Is cool. Jazz ijlt. Vooruit. Voorbij. Ver weg. Dichtbij. Paraat. Bereid. Op weg. Altijd. Jazz was. Jazz is. Jazz blijft.

De vraag is wel: maar waar blijft zij dan?

Rob Zijlstra
geluid: https://youtu.be/s1v06S8lve8
tekst terzijde: Jules A. Deelder - Intro, de Bezige Bij, 1992, Amsterdam

Eric

herfst

Het is nog maar net oktober, oktober 2016.

Ik liep voor de zoveelste keer naar mijn werk.
 Ik werk in het gerechtsgebouw van Groningen waar ik al 12 jaar een paar keer per week als een stamgast naar binnen ga.
Anders dan andere bezoekers hoef ik niet door de veiligheidsscan.
 De auto parkeer ik in de garage onder de Ossenmarkt.
 Ik heb al 12 jaar een abonnement op de parkeergarage. 
Het abonnement staat op naam van de hoofdredactie van de krant vanwege de belastingen of zoiets.

Ik ga naar de rechtbank om stukjes te schrijven.
Content heet dat tegenwoordig.
Het is nog maar net oktober, oktober 2016 en er liggen al herfstbladeren op de Ossenmarkt.
Dat komt misschien wel door de digitalisering die de rechtbank doorvoert ten koste van arbeidsplaatsen.
Digitalisering betekent dat wordt afgerekend met papier ten behoeve van de bomen en bladeren. 
Dat is beter voor het milieu, maar het is tegen mensen die 's ochtends voor de zoveelste keer naar hun werk gaan.

Het is ook de dag dat het 48 jaar geleden is dat mijn broertje werd geboren.
Dat gebeurde op 2 oktober 1968 in Harlingen.
Achttien dagen nadat hij tot leven was gekomen ging Eric dood.
Het is niet waar dat ik daar vaak zoals dagelijks bij stilsta
Maar soms, zoals nu, gewoon even wel.

En dan vraag ik mij af,
wat hij bijvoorbeeld vandaag had gedaan, op een zoveelste dag?
Wie hij was, zo zijn?
En of we op elkaar hadden geleken.

robz



 

“Eric” verder lezen