Second love

Eens vonden ze elkaar,
leuk en lief.
Maar na een huwelijk van vijftien jaren waarin zij driemaal achtereen genas van kanker, raakte hij uiteindelijk aan de drank en aan lager wal.
Zo raakte hij haar alsnog kwijt.
En haar niet alleen.
Hij verloor ook zijn twee kinderen.
En daarna zijn werk, toen heel zijn  leven.

In het nieuwe bestaan, in de goot vol drank en drugs, botste hij op een tweede liefde.
Second love.
Niet lang geleden werd hij weer vader.
Kort daarna werd hij opgepakt door de politie vanwege de verdenking van een ernstig misdrijf.
Het jonge kind, baby nog maar, werd uit huis geplaatst.

Zij, de nieuwe liefde, is nu weer alleen.
Haar liefste vriend uit de goot in de gevangenis,
haar jongste kind, baby nog maar, van overheidswege gedwongen bij een pleeggezin.

Ze loopt huilend door de straten van de stad.
Om het niet waar te laten zijn duwt zij een kinderwagen voort.
Een lege kinderwagen.

Rob Zijlstra

The Hoochies

24/25 februari 2018,
 cafe Mulder
 Grote Kromme Elleboog, Groningen
Groninger Blues Tour

Ik hou steeds meer van muziek. Dat is vanwege het ouder worden. Naarmate ouder ontdek je meer, meer, meer.

Was het maar andersom, denk ik soms. Dus dat er in het begin heel veel is, dat je heel veel weet, maar dat er met het verstrijken van tijd uiteindelijk maar één of twee muziekstukken, composities, een of twee liedjes overblijven. Die alles hebben wat er te beluisteren valt. Waar je het – heel gelukkig – mee moet doen.

Repeat, repeat, hoe mooi zou dat zijn?

Vooralsnog ga ik voor meer, meer. Ik weet wat ik weet en ik weet dat ik nog zoveel niet weet.

Wat ik weet is dat ik graag fantaseer dat ik – in 1959, ik was nog niet eens geboren – een van de muzikanten ben in de studio waar Miles Davis zijn Kind of Blue opnam.

Ik had een poes, nu dood en in de tuin tegen de schutting aan begraven, die ik bij leven vernoemde naar Dizzy Gillespie, de man die met Miles mij de jazz leerde begrijpen. Ik heb Dizzy Gillespie ooit de hand gegeven – met een van de handen die dit stukje tikt.

Ik probeer alle liedjes van Maarten van Roozendaal uit mijn hoofd te leren. Want die zijn – helemaal niet erg – stuk voor stuk om te janken zo mooi.

Ik heb bijna alle cd’s van de band die Zijlstra heet (van Jeroen), maar dat lijkt me logisch. Ik zou met drie cd’s van Neil Young een onbewoond eiland overleven. Ik kan met de ogen dicht wegzweven als ik luister naar Chuck Mangoine (Live at the Holywood Bowl).

Ik word voor even een ander mens als ik op YouTube naar Tom Waits luister, make it rain. In mijn Spotify-ding heb ik 49 uitvoeringen van Pick up the pieces van de onovertroffen Average White Band. Ik ging eens met vriend Remco per stoptrein naar Hamburg om daar Carlos Santana te zien spelen, de man die met Abraxas en met vooral Moonflower mij hielp een volgende stap te maken in mijn puberjeugd. Ik dans als vijftig-plusser tijdens het koken in de keuken bij voorkeur op en/of met James Brown.

In Delfzijl, in Sjangpouk, The Corner, leerde ik de muziek van El Chicano (viva tirado) kennen en Entro van Graham Central Station. Met vriend Joop lifte ik naar Hemmes, Steentilstraat, Groningen, waar we – jaren tachtig – Steve Gadd ontdekten, Yellowjackets, George Benson, David Sandborn, David Spinoza, Bob James (Taxi), Eric Gale, Crossfire, Michael Franks, Lee Ritenour.

Een van mijn mooiste concerten op het North Sea Jazz (Den Haag) was – op dat van Miles en Dizzy na – dat van John McLaughlin met Paco de Lucia en Biréli Lagrène (Tuinpaviljoen).

Ik koester een eeuwige liefde voor de muziek van Billie Holiday, Joni Mitchell, Ricky Lee Jones. Maar ik hou ook van Mose Allison, Ben Sidran. Van Little Jimmy Scott.

Ik wil nog meer namen noteren. Johnny Guitar Watson.  Bob Marley. Talking Heads.  Rudy Lentze. Ik kan zo uren doorgaan. Vergeet Ry Cooder niet.

Vorige week liep ik met vriend Remco het mooie Cafe Mulder aan de Grote Kromme Elleboog in Groningen binnen. De Groninger Blues Tour was gaande. Er was tegen elf een minuut stilte voor Wim Angerman, een Groninger bluesman die onbedoeld te vroeg was doodgegaan.

In cafe Mulder speelden The Hoochies. Richard Koster (zang, harmonica), Roelof Meijeringh (gitaar), Chiel ten Vaarwerk (drums en hoe!) en Roland Luttik (bas). Remco ging bier halen aan de bar bij Jos.

Ik vond op dat moment dit het allermooiste.

rob zijlstra

Deze nacht

Deze nacht een jaar geleden lag ik op een campingbedje op kamer 40, ergens op een eerste verdieping in het grote Universitair Medisch Centrum Groningen. 
Door de ramen van dubbelglas kon ik de Petrus Campersingel zien, maar horen kon ik niks. 
’s Middags was op deze lege kamer een rondleiding geweest om mensen te laten zien wat de bedoeling is van kamer 40. De bedoeling: hier moeten de mensen doodgaan.

Wij waren de eersten, eigenlijk waren we net iets te vroeg. 
De inrichting was nog niet helemaal zoals het was bedacht.
 Maar het ging, het kon, we klaagden niet.

’s Middags wist ik al dat het zou gaan gebeuren. 
Dat het leven van mijn vader niet meer vanzelfsprekend zou zijn, maar een kwestie van tijd was geworden.
 Ook te vroeg.

Daar lig je dan.
Daar lig je, naast een ziekenhuissterfbed waarop je vader onder een wit en eigeel gekleurde deken ligt.
 Ik luisterde naar je ademhaling. Jouw stem met woorden was al afgehaakt.

Daar lig jij dan, grote man, machinist van de wereldzeeën, daar lig je dan te sterven.
 Ik was bang in slaap te vallen.
 Bang het allerlaatste moment te missen, jij je daar vast van geen kwaad bewust. 
Ik dacht ook, dit is raar, hoe ik hier zo lig, in het grote ziekenhuis, op de grond.
 Jij had dat ook raar gevonden, maar we hadden er samen om gelachen.

Acht, negen minuten na twee uur in de nacht was het gebeurd.
 Ik maakte een foto van de klok in deze dodenkamer 40. 
Als bewijs van sterven, iets anders kon ik op dat moment niet bedenken.

Een jaar is er nu voorbij gegaan. 
Ik doe mijn best, maar nog steeds weet ik niet goed hoe te rouwen.
 Ik had gedacht, toen mij werd verteld dat jij dood zou gaan, ik had gedacht, de rest komt vanzelf. Maar dat is helemaal niet zo, het is niet waar. 
Rouwen moet je zelf bedenken.
 Zelf bedenken, zelf verzinnen.

Doodgaan doe je aan het einde van je leven.
 Jij pap, jij ging iets eerder.
 Net iets te vroeg. 
Wij waren er nog niet helemaal klaar voor.

Weet je dat Kars zijn rijbewijs heeft gehaald?
Dat Noek teamcaptain is van zijn basketbalteam?
Dat de jongens het goed doen op school?
Dat het weer iets beter gaat met de krant?
Dat jouw vriend Joost inmiddels ook is doodgegaan?
Weet je dat en dit en zus en zo?
Vanavond – vrijdag – gaan we met z’n allen eten in Termunterzijl.
Daar, daar aan de zee, daar kwam je graag.

Rob

Eddy Koekkoek

Toen ik in Groningen kwam wonen, eind jaren tachtig, leerde ik de mooie mannen en mooie vrouwen van de stad kennen. Gretig stortte ik mij in hun wereld die daarna ook de mijne werd. Met de krochten van de spannende binnenstad als huiskamer.

Dan kwam je zo nu en dan ook Eddy tegen.
Moi. 
Onder alle omstandigheden.
Moi.
In alle hoedanigheden. 
Moi.

Nu is Eddy dood.

Muziekman. Stadsman. Probleemman. Geldgebrekman. Cafeman. Ideeenman. Nietstegekman. Eenvandeeerstewebsitesman. Ongezondeman. Gaanweregelenman. Verwardeman. Manmethoed. Rookman. Vrijehandman. Metjemooiestemman. Goingtothecityman. Jointjesman. Praatjesman. Ikkrijgnoggeldvanjeman. ChicoMendesman.

Samen richtten we de Groninger Nachtwacht op, om te voorkomen dat het onmogelijke kunstwerk van Christof Beukema – een kunstwerk dat een wand van je cafe Koekkoek sierde – naar de schroot zou gaan. Dankzij de Groninger Nachtwacht hangt dit werk nog steeds aan de muur van de Kleine Zaal van de ‘d Oosterpoort.

Hebben we toen toch mooi geflikt, Nachtwachtman.

Ik weet niet alles.
Je belde wel eens en dan luisterde ik.
Ik bracht je een keertje shag en koffie en ik zei dat het niet waar kon zijn wat je maar steeds bleef beweren.
Iedereen heeft voor jou een eigen lied.

De stad Groningen maakt voor jou een diepe buiging, ook nu je er even niet meer bent.
Jij bent nu daar waar niks meer is.

Moi mooie Eddy.

rob zijlstra

In het eind 2017 verschenen boek
Rock City staat een mooi geschreven
portret van Eddy Koekkoek, geschreven
door Igor Wijnker.

laatste woord

De zee heeft het laatste woord

Er liggen daar bloemetjes op het strand.
Kleine rode en blauwe en gele, een paar een beetje paars.
Nog even onbereikbaar voor de rollende golven van de razende zee.

Maar het zal niet lang meer duren.
Dan drijven de bloemetjes op de zee
Wij vinden dat nu wel goed.
Jij was de beste vader.

Ga nu maar, ga maar met de golven mee

strand Vlieland
8 oktober 2017
11.26 uur

Gele bloem

Een eenzame gele bloem,
eigenwijs groeiend
tussen de harde basaltblokken
van de aangelegde waddendijk
waartegen het vloedrijke zeewater
zolang het tij voortduurt
onverschillig kabbelend
klotst.

In de verte blaft een meeuw.
Daarna gebeurt er weer iets anders.
Of niet.
En steeds herhaalt de zee zichzelf.
Zo gaat het al eeuwen.

Zo gaat het maar door.

Groningen is een stoere vrouw

Ik interviewde Bo Scheeringa, zij is fotograaf. Ze heeft een boek gemaakt. Het boek is een ode aan het Hogeland, aan Noord-Groningen. Dat is het landsdeel dat wordt leeggezogen door de NAM.

Bo Scheeringa laat met haar landschapsfoto’s – landschapsportretten – zien waar de Groninger voor knokt. Niet waartegen.

Een man, een bewoner van het Groninger land die Bo Scheeringa fotografeerde zei: ‘Als je hier wilt wonen, dan moet je kunnen buigen, kunnen buigen voor het landschap.’  Een andere man uit het boek: ‘De schoonheid van het Groninger landschap gaat soms door merg en been. En dat kan pijn doen.’

Zulke mooie zinnen staan in het fotoboek van Bo Scheeringa.
Het boek heet Ruim Leven.

Bo Scheeringa maakt foto’s van het landschap waar ik doorheen fiets. Het Hogeland is ook mijn land. We troffen elkaar in Noordpolderzijl, eerst op de dijk waar collega Jan Zeeman haar in de stromende regen op de foto zette. De fotograaf zei tegen de fotograaf dat zij zich ongemakkelijk voelde, zo aan de verkeerde kant van de camera. Ze begrepen elkaar.

Daarna, in ’t Zielhoes, vertelde Bo Scheeringa over haar ding. Ze zei: ‘Ik heb geen idee of Groningen vrouwelijk is. Maar voor mij is Groningen een haar, vrouwelijk.’ Ik kon mij daar wel in vinden. We concludeerden: Groningen is een stoere vrouw.

Toen we klaar waren met praten reed ik langs velden vol zonnebloemen met hier en daar wat klaprozen terug naar waar ik woon, via de Stationsweg in Warffum. Daar daalden de spoorbomen en verzochten knipperende rode lichten mij even te wachten tot zij op hun beurt waren uitgepraat.

Ik vond dat helemaal niet erg.

Rob Zijlstra

Het interview met  Bo Scheeringa is
gepubliceerd in Dagblad van het Noorden.

 

 

 

 

 

 

Berenklauw

berendeze

Ik fietste vanuit Westernieland over de Schaapweg richting de zeedijk, met daarachter de kwelders, daarachter de immer op- en afgaande zee van het Wad, met overal wolken.

In de berm van de Schaapweg stond rechts deze reuzenberenklauw, een exoot hoorde ik op het NOS-journaal die met wortel en al moet worden uitgeroeid. De reuzenberenklauw verpulvert onze inheemsen. De autochtone berenklauw houdt huis en moet dood ten behoeve van de paardenbloem en de boterbloem en klavertjes vier.

Toen ik de foto maakte, fietste er een boer voorbij.
De boer riep: ‘Pas maar op. Je krijgt er brandwonden van.’
Ik riep terug: ‘Ja, dat weet ik ook wel.

rob zijlstra

Kopland

schermafbeelding-2017-06-12-om-00-48-42

Ja, natuurlijk ken ik Kopland.
Rutger.
Rutger Kopland uit Glimmen.
Een groot dichter.

Is hij al dood dan?
Volgens mij wel.
[ik pak mijn telefoon, toets in Kopland, gelukkig, er is 4G in de duinen.]
Ja hoor.
Kopland is dood.
Juli, 2012.

Natuurlijk ken ik Kopland.
Maar heus, niet echt.
Wel van gehoord natuurlijk.
Weet ik veel, al die dichters die ontroeren, zo mooi.

Maar nu, nu is alles anders.
Zondagochtend, in de duinen van Terschelling.
Wind tegen, bij Lies linksaf, daar kwam ik hem tegen.

En nu, nu wil ik al zijn woorden weten.

rob zijlstra

Terschelling, Oerol, 11 juni 2017
peergroup / kopland

Denk

rodin

Auguste Rodin exposeert in het Groninger Museum en daar komen heel veel mensen naar kijken. De mensen komen kijken naar zijn werk, want Rodin zelf is al weer een tijdje dood (1917).

Rodin was  een nogal eigenzinnige man. Hij maakte onder meer De Denker, zijn meest bekende beeld. Het is een zittende, blote en heel sterke man die al je kijkt ook echt zit te denken.

Dat komt omdat we weten dat dit kunstwerk De Denker heet. Had Rodin dit werk De Prutser genoemd, de looser, dan hadden we dat erin gezien. Of De Verliezer. De Verdrietige.  De Teleurgestelde. De tot inkeer komende.

Voor Rodin had dat  geen donder uitgemaakt. Hij hechtte weinig waarde aan de naamgeving van zijn werken.  Hij was veel meer bezig  met het lichaam van de mens. Dat moest perfect. Tegelijkertijd wilde hij laten zien hoe zijn werk tot stand kwam: het werkproces. Auguste knutselde wel eens een beeld in elkaar zonder armen. Dat vond hij best.

Het gebeurde ook dat hij een arm van een oud beeld zaagde en die dan aan een nieuwe werk plakte. Wist hij ook veel dat hij honderd jaar later later in het Groninger Museum te zien zou zijn.

Ik vond het een heel mooie tentoonstelling. Zo eentje die ook  de moeite waard is als je het niet zo hebt met beelden.

Ik ving een gesprekje op tussen twee dames van respectabele leeftijd. De een vond het prachtig. De andere ook, maar zij had wel een punt van kritiek. Dat het museum ook beelden tentoonstelde die nog niet af waren.  Ze zei: ‘Zo slordig van ’t museum.’

Ik wilde reageren, haar deelgenoot maken van de schoonheid van het werkproces. Maar net toen ik dat wilde zeggen, dacht ik…

rob zijlstra