B.B. Mischa

bb-kopie

Het was in 1988. Ik werkte als jongste bediende bij de Leekster Courant. Het zusje van mijn vriendin had een schoolvriendje die 16 jaar oud was en waanzinnig mooi op de gitaar kon spelen. Hij woonde in het Westerkwartier, het land van de Leekster Courant.

We kwamen elkaar soms tegen en dan vertelde hij dat hij een idool had. B.B. King. Die was toen – net omgekeerd – 61 jaar. Ik dacht, dat is een mooi verhaal voor in de krant. Een 16-jarige jongen van het Groninger platteland die een 61-jarige bluesman als groot muzikaal voorbeeld heeft.

Ik dacht, ik regel een ontmoeting. Ik wilde als jong verslaggever de wereld verbeteren, dus zo’n treffen met B.B. King – toen al volgens de krant de man van de duurste en meest prestigieuze blues-acts ter wereld – zou niet heel ingewikkeld moeten wezen. Netwerken bestond nog niet, maar ik had een telefoonnummer van ene Jacob Bolhuis. Dat was de Mojo-man in Groningen. Hij moet iets hebben gezegd als ‘kom maar’.

Martinihal, 5 maart.  Kippenvelconcert. Toen het was afgelopen moesten we wachten, lang wachten. Toen mochten we komen, in de kleedkamer. Van B.B. King. Hij zat daar, royaal, vol aandacht. Ik legde uit dat ik de journalist was van de Leekster Courant en dat ik een verhaal wilde schrijven over een 16-jarige fan, uh gitarist die… en dat uuh… Of we een handtekening wilden? Een sticker? Zijn plectrum?

Nee, nee, no. Mischa zei: ‘Het enige wat ik graag wil is heel even samen met u gitaarspelen.’

Dat is er niet van gekomen. Er zaten heul belangrijke journalisten in de kleedkamer, eentje van ’t Nieuwsblad en eentje van de Volkskrant, mannen die ons waarschijnlijk maar lastig, vervelend en storend vonden. Ik mocht nog wel een paar foto’s maken. Daarna moesten we gaan.

Ik had mijn verhaal, het 16-jarige gitaartalent had zijn grote voorbeeld ontmoet. Die 16-jarige is inmiddels bijna drie decennia ouder. Hij speelt nog altijd gitaar. Mischa den Haring – helemaal rechts op de foto – kijk hem eens kijken met zenuwen op dat overbelichte hoofd. Mischa den Haring is nu zelf een van de besten.

Mischa den Haring

 

De schreeuw is dood

Veel mensen vonden hem een beetje eng en er waren er die helemaal niets van hem moesten hebben. Die vonden hem doodeng.

Een gemeenteraadslid heeft zelfs eens tijdens een vergadering aangedrongen op maatregelen. Het raadslid vond dat deze enge man niet in de binnenstad thuis hoorde: hij joeg de mensen namelijk de stuipen op het lijf.

In het cafe vlakbij zijn kamertje in de de Uurwerkersgang kwam een buurtbewoner gistermiddag het nieuws vertellen. ‘Ferdinand is dood. Ze hebben hem maandagavond gevonden in zijn kamer.’

Ferdinand was maandagavond al ruim een week dood.
Ach nee, zeiden wij in het cafe.

Veel mensen wisten dat hij Ferdinand heette en er waren er die nog wel iets meer over hem konden vertellen. Dat het niet een man was die het kwaad in zich had. Wel was hij een zonderlinge man, met zijn verwilderde haren, de woeste grijswitte baard, de lange altijd openstaande regenjas, gympies zonder veters en met, onafscheidelijk, zijn flesje bier.

Hij had zijn buien. Chagrijnig tegen zichzelf pratend, foeterend op de rest van de wereld. Maar soms ook heel vrolijk.

Ferdinand kon inderdaad mensen de stuipen op het lijf jagen. Dan dook hij vanuit het niets op om een argeloze voorbijganger ineens te verrassen met een harde schreeuw. Een enkeling werd boos, vanwege de schrik, anderen liepen doof door of schreeuwden even hard terug. In stukjes in deze krant noemden we hem wel de ‘boeman’.

De binnenstad was ook van hem. Ferdinand Spekreijse leefde in zijn eigen wereld. Een wereld die hij in zijn kamertje – heel stilletjes – gedag heeft gezegd.

Rob Zijlstra

ferdinand
foto: rob zijlstra