triatlon van onderdendam

Schermafbeelding 2016-10-06 om 22.48.23
Pablo is een sportieve Italiaanse jongeman die in Leiden studeert. Op een dag ziet hij ergens op het internet een aankondiging staan: er is een kwart triatlon in Onderdendam. Hij besluit zich in te schrijven, dan nog in de veronderstelling dat Onderdendam wel ergens in de buurt zal liggen van Amsterdam.

Wanneer het bijna zover is komt Pablo erachter dat Onderdendam iets noordelijker ligt. Hij besluit toch te gaan, zoekt een bed & breakfast en stapt met zijn fiets op de trein. In Groningen aangekomen, daags voor de grote strijd, valt hij voor de schoonheid van de stad, in die zin dat hij nog nooit zoveel cafe’s bij elkaar heeft gezien.

Pablo ziet dat de laatste bus rond middernacht richting Onderdendam vertrekt en besluit ter voorbereiding tot vrolijk cafébezoek. De laatste bus wil hem niet meenemen. Dat wil zegen, hem wel, maar niet de fiets. Pablo besluit zonder verlichting naar Onderdendam te fietsen, wat niet alleen een hele onderneming is, maar ook nog eens levensgevaarlijk.

Even buiten het dorp begint de gastheer van De Inloop – de bed & breakfast – zich nu wel zorgen te maken. Tegen vier uur die nacht komt hij aan.

Op de wedstrijddag is er regen in Onderdendam. Voor het onderdeel zwemmen is dat geen probleem. Voor het 40 kilometer fietsen iets meer. De houten brug direct na de bocht is spekglad. Mannen van Onderdendam staan paraat om de fietsers te waarschuwen: ‘Pas op, brug is nat, langzaam, langzaam.’

Pablo verstaat het niet, hij denkt dat hij wordt aangemoedigd en enthousiast zet hij nog een tandje bij. Op de brug gaat hij keihard onderuit. Wat bloed en een paar schrammen is zijn lot. Erger: de fiets is stuk. Pablo staat op en ziet een fiets tegen de molen staan. Het is een gewone fiets, met fietstassen. Het publiek moedigt hem aan: ga!

En daar gaat hij, op een kreunende herenfiets, links en rechts ingehaald door triatlon-mannen op hightech-fietsen en dito kledij. Pablo zal met nog drie ronden à tien kilometer te gaan de wedstrijd vandaag niet winnen.

In mijn schuur staat een oude mountainbike. De banden zijn net nieuw. Ik haal de fiets uit de schuur en wacht op de tweede doorgang van Pablo. Als hij aan komt rijden op die krakfiets, roep ik hem en biedt mijn fiets aan. Met een vermoeide maar grote lach pakt hij mijn Gazelle Puerto en trapt moedig verder.

Pablo kwam als laatste over de streep. Hij had het een schitterende race gevonden. Ik vroeg hem hoe vaak hij dit doet, triatlons. Onderdendam was zijn eerste keer.

Vorig jaar had ik mijn fiets weer langs het parcours gezet, met een briefje erbij. Una bicicletta di riserva. Pablo was er niet. Straks (zaterdagmiddag) gaat voor de derde keer de triatlon van Onderdendam van start. Ik heb het zekere voor het onzekere genomen.

rob zijlstra

mooie dag

Man belt. Noemt zijn naam, ‘t klinkt  verontwaardigd. Zijlstra moet eens even goed luisteren. Hij zegt dat-ie al twintig jaar lid is van de krant en altijd mijn stukjes leest op internet. Mooie stukjes, daar niet van. Maar nu wil het geval dat hij zelf moest voorkomen. En wie zat er niet in de rechtszaal? Ik begrijp toch wel dat hij als trouw lezer enigszins is teleurgesteld?

Ik vraag wat hij had gedaan. Akkefietje, stommigheidje, stelde niet zo heel veel voor. Straf? Ja, dat wel. ‘n Boete. Ik zeg dat je wel wat meer moet uitvreten voordat je met je verhaal in de krant komt te staan. Ik stel voor: bij een volgende keer, bel even vooraf. Dan kom ik. De trouwe lezer, tevreden: ‘Afgesproken Zijlstra.’

Hij wenst mij nog een mooie dag.

rob zijlstra

B.B. Mischa

bb-kopie

Het was in 1988. Ik werkte als jongste bediende bij de Leekster Courant. Het zusje van mijn vriendin had een schoolvriendje die 16 jaar oud was en waanzinnig mooi op de gitaar kon spelen. Hij woonde in het Westerkwartier, het land van de Leekster Courant.

We kwamen elkaar soms tegen en dan vertelde hij dat hij een idool had. B.B. King. Die was toen – net omgekeerd – 61 jaar. Ik dacht, dat is een mooi verhaal voor in de krant. Een 16-jarige jongen van het Groninger platteland die een 61-jarige bluesman als groot muzikaal voorbeeld heeft.

Ik dacht, ik regel een ontmoeting. Ik wilde als jong verslaggever de wereld verbeteren, dus zo’n treffen met B.B. King – toen al volgens de krant de man van de duurste en meest prestigieuze blues-acts ter wereld – zou niet heel ingewikkeld moeten wezen. Netwerken bestond nog niet, maar ik had een telefoonnummer van ene Jacob Bolhuis. Dat was de Mojo-man in Groningen. Hij moet iets hebben gezegd als ‘kom maar’.

Martinihal, 5 maart.  Kippenvelconcert. Toen het was afgelopen moesten we wachten, lang wachten. Toen mochten we komen, in de kleedkamer. Van B.B. King. Hij zat daar, royaal, vol aandacht. Ik legde uit dat ik de journalist was van de Leekster Courant en dat ik een verhaal wilde schrijven over een 16-jarige fan, uh gitarist die… en dat uuh… Of we een handtekening wilden? Een sticker? Zijn plectrum?

Nee, nee, no. Mischa zei: ‘Het enige wat ik graag wil is heel even samen met u gitaarspelen.’

Dat is er niet van gekomen. Er zaten heul belangrijke journalisten in de kleedkamer, eentje van ’t Nieuwsblad en eentje van de Volkskrant, mannen die ons waarschijnlijk maar lastig, vervelend en storend vonden. Ik mocht nog wel een paar foto’s maken. Daarna moesten we gaan.

Ik had mijn verhaal, het 16-jarige gitaartalent had zijn grote voorbeeld ontmoet. Die 16-jarige is inmiddels bijna drie decennia ouder. Hij speelt nog altijd gitaar. Mischa den Haring – helemaal rechts op de foto – kijk hem eens kijken met zenuwen op dat overbelichte hoofd. Mischa den Haring is nu zelf een van de besten.

Mischa den Haring

 

De schreeuw is dood

Veel mensen vonden hem een beetje eng en er waren er die helemaal niets van hem moesten hebben. Die vonden hem doodeng.

Een gemeenteraadslid heeft zelfs eens tijdens een vergadering aangedrongen op maatregelen. Het raadslid vond dat deze enge man niet in de binnenstad thuis hoorde: hij joeg de mensen namelijk de stuipen op het lijf.

In het cafe vlakbij zijn kamertje in de de Uurwerkersgang kwam een buurtbewoner gistermiddag het nieuws vertellen. ‘Ferdinand is dood. Ze hebben hem maandagavond gevonden in zijn kamer.’

Ferdinand was maandagavond al ruim een week dood.
Ach nee, zeiden wij in het cafe.

Veel mensen wisten dat hij Ferdinand heette en er waren er die nog wel iets meer over hem konden vertellen. Dat het niet een man was die het kwaad in zich had. Wel was hij een zonderlinge man, met zijn verwilderde haren, de woeste grijswitte baard, de lange altijd openstaande regenjas, gympies zonder veters en met, onafscheidelijk, zijn flesje bier.

Hij had zijn buien. Chagrijnig tegen zichzelf pratend, foeterend op de rest van de wereld. Maar soms ook heel vrolijk.

Ferdinand kon inderdaad mensen de stuipen op het lijf jagen. Dan dook hij vanuit het niets op om een argeloze voorbijganger ineens te verrassen met een harde schreeuw. Een enkeling werd boos, vanwege de schrik, anderen liepen doof door of schreeuwden even hard terug. In stukjes in deze krant noemden we hem wel de ‘boeman’.

De binnenstad was ook van hem. Ferdinand Spekreijse leefde in zijn eigen wereld. Een wereld die hij in zijn kamertje – heel stilletjes – gedag heeft gezegd.

Rob Zijlstra

ferdinand
foto: rob zijlstra