De schreeuw is dood

Veel mensen vonden hem een beetje eng en er waren er die helemaal niets van hem moesten hebben. Die vonden hem doodeng.

Een gemeenteraadslid heeft zelfs eens tijdens een vergadering aangedrongen op maatregelen. Het raadslid vond dat deze enge man niet in de binnenstad thuis hoorde: hij joeg de mensen namelijk de stuipen op het lijf.

In het café vlakbij zijn kamertje in de Uurwerkersgang kwam een buurtbewoner gistermiddag het nieuws vertellen. ‘Ferdinand is dood. Ze hebben hem maandagavond gevonden in zijn kamer.’

Ferdinand was maandagavond al ruim een week dood.
Ach nee, zeiden wij in het café.

Veel mensen wisten dat hij Ferdinand heette en er waren er die nog wel iets meer over hem konden vertellen. Dat het niet een man was die het kwaad in zich had. Wel was hij een zonderlinge man, met zijn verwilderde haren, de woeste grijswitte baard, de lange altijd openstaande regenjas, gympies zonder veters en met, onafscheidelijk, zijn flesje bier.

Hij had zijn buien. Chagrijnig tegen zichzelf pratend, foeterend op de rest van de wereld. Maar soms ook heel vrolijk.

Ferdinand kon inderdaad mensen de stuipen op het lijf jagen. Dan dook hij vanuit het niets op om een argeloze voorbijganger ineens te verrassen met een harde schreeuw. Een enkeling werd boos, vanwege de schrik, anderen liepen doof door of schreeuwden even hard terug. In stukjes in deze krant noemden we hem wel de ‘boeman’.

De binnenstad was ook van hem. Ferdinand Spekreijse leefde in zijn eigen wereld. Een wereld die hij in zijn kamertje – heel stilletjes – gedag heeft gezegd.

Robz

ferdinand
foto: rob zijlstra